BLOG

DRIE JANUARI TWEEDUIZENDZEVENTIEN

De Peel ligt er winters rustig bij vanaf mijn werkplek, op een van de allereerste dagen van dit jaar. Afgezien dan van de hordes ganzen dan, die regelmatig herrieschoppend over komen. Het kantoor om me heen is griezelig rustig. Iedereen is druk doende enigszins bij te komen van de heftige laatste weken van het vorige jaar, of volop bezig met wat de komende weken alweer in de volgepakte agenda’s staat. In een bedrijf als dit is er eigenlijk nooit tijd om even achterover te leunen, blijkt eens te meer. Ik houd me vandaag op mijn dooie gemak, met de naweeën van de top 2000 op de oortjes, bezig met vooruitkijken. Gewoon eens even stil staan en op een rijtje zetten wat er dit jaar in dit dynamisch bedrijf allemaal staat te gebeuren, waar we harder voor moeten gaan lopen en vooral hoe we dingen nóg slimmer en beter kunnen doen.

Het kantoor oogt spic en span. Na een enthousiaste opruimbeurt hebben de poetskanjers vorige week alles extra onderhanden genomen om ons sloddervossen weer een blinkend schone start te geven. Het ruikt hier aangenaam citroenfris en zelfs mijn tijdens de feeestdagen door nicotine vergalde neus geniet daar van. Ook buiten ziet het er gelikt uit. Net voor kerst hebben de tuinman en zijn kompanen alles opgeruimd, weggeharkt en schoongeblazen en het grasveld pal voor me ligt er strak bij. Op die ene molshoop na dan, die door het ijverige beestje met tomeloze werklust is opgericht naast de verwoestte restanten van de vorige.

Af en toe, als ik even verdwaal in mijn gedachten, staar ik een moment voor me uit; gewoon over het grasveld en de straat heen, een heel eind de Peel in. Verdomme, het valt me nu pas op dat recht voor me midden op het gladgeschoren grasveld naast mekaar twee fruitboompjes staan; een appel en een peer. Nou is dat op zich niet zo heel bijzonder, bomen staan hier wel meer, dat zal u niet verbazen, en ook fruitbomen hebben we voldoende. Wat ik wel buitengewoon vind ( mijn denkraam is zeer beperkt, dat weet ik en ik vind de meest saaie zaken al snel buitengewoon), is dat deze twee alleenstaanden zonder enige twijfel naar elkaar tóe buigen. Sterker nog, ze lijken zelfs naar mekaar te reiken. Een van de twee ploeterend tegen de wind in, de ander luxueus meebuigend met dat steuntje in de rug, strekt ieder van hen zijn takken uit naar de ander. Zoeken ze steun bij elkaar nu al hun bladeren verdwenen zijn en het, naakt als ze nu zijn, af en toe vast bitter koud is? En zo ja,rechten ze dadelijk in het voorjaar allebei weer de eigen stam en trekt ieder weer zijn eigen plan? Het zal toch niet zo zijn dat ze mij, zo op een van de eerste dagen van het jaar, alvast even moraliserend terecht willen wijzen? Goh, ik zou er zowaar prozaïsch van worden;een mens kan zomaar lelijk afglijden nietwaar? Heel veel gekker moet het toch echt niet worden.

IK heb helemaal onderaan een foto neergeplakt maar eigenlijk moet u ze gewoon persoonlijk eens komen bewonderen, die twee en drink hier dan meteen een kop koffie zou ik zo zeggen. Prima koffie hier. Geloof me, ik kan het weten.

Iedereen hier bij de Natuurpoort wenst u van harte alle goeds toe voor 2017 en mijn persoonlijke wens voor dit jaar krijgt u er dan ook nog eens een keertje overheen; 'moge de slechtste dag van het nieuwe jaar nog beter zijn dan de allerbeste van het oude'. Denk daar maar eens over na!

 

DERTIEN DECEMBER TWEEDUIZENDZESTIEN

Het was echt bitterkoud vorige week hier in de Peel, ’s morgens tegen een uur of half acht. Na tien minuten heftig ijs krabben rijd ik, met een slecht werkende kachel en de radio uit om stroom te sparen, deze kant op. Gelukkig had mijn hoogbejaarde Opel die ochtend zijn allerlaatste krachten aangesproken en was zomaar zonder mankeren gestart. Recht voor me uit kleurt de zon, zelfs voor ze goed en wel boven de horizon uit komt, de Peel al vlammend rood. Wie had het ook alweer over ’en saoves laot dan stond de Piejel in brand’? Moet je hier vroeg in de morgen op een heldere winterdag maar eens komen kijken! Maar goed, tien minuten later zit ik mijn verkleumde vingers te warmen aan een vorstelijke emmer koffie en mijn verstand te vergapen aan de mooist denkbare zonsopgang, pal voor mijn neus.

Eigenlijk nog voor mijn tintelende vingers goed en wel warm geworden zijn gaat de deur achter me open en Piet Zeegers stapt binnen. Piet, voor hen die hem niet kennen, is medewerker van Staatsbosbeheer in ruste. Vroeger heette zo iemand boswachter maar dat mag niet meer. Wel ziet hij er nog steeds uit als een boswachter en van rusten is ook al niet veel sprake. Hoe zo’n boswachter eruit ziet? Tja, voornamelijk in het groen eigenlijk, met kledij die eerder solide dan modieus aandoet en stevig schoeisel. Met een behoorlijke bos grijs haar ook, die verraadt dat er veel zaken belangrijker zijn dan kapperbezoek. Piet is onze bevlogen adviseur bij de aanleg van het Mussenkeetpad, het wandelpad dat we van zins zijn aan te leggen in het natuurgebied recht voor mijn werkplek.

Op hetzelfde moment dat ik hem kordaat binnen zie stappen realiseer ik me dat hij voor mij komt en dat ik die afspraak hartstikke vergeten ben. Een paar weken terug zaten we bij mekaar en vroeg hij langs zijn neus weg of ik eigenlijk het beoogde traject van de wandelroute al eens zelf bekeken had. Uiteraard kon ik alleen maar schoorvoetend toegeven dat ik al jaren niet meer van de harde weg af geweest ben. Piet opperde meteen dat een wandeling goed zou zijn voor mij én voor mijn kennis over het project. Tien minuten later namen we afscheid van elkaar met een handdruk en een geprikte datum waarop we samen aan de wandel zouden gaan.

En nu is het besef er meteen; jawel, dié datum, die toen nog zo heerlijk ver weg leek, da’s vandaag. Ik tel vlug mijn zegeningen en ben akelig snel klaar. In plaats van de vooraf beoogde legerkistjes draag ik gewone lage schoenen en zowel de warme trui als mijn das en handschoenen liggen thuis frisgewassen in de kast. Ik besluit me als een bikkel te gedragen (onverstandig) en verwelkom mijn wandelgezel met een ‘ik ben d’r helemaal klaar voor’ (héél onverstandig). Piet kijkt me vorsend aan en zegt me gelukkig niet wat hij overduidelijk denkt van mijn kledingkeuze. Even later stap ik met een te brede glimlach en een behoorlijk zwaar gemoed achter hem aan de deur uit. Mijn toch al bange vermoedens worden enkele ogenblikken later nog veel banger als mijn kompaan stopt bij zijn auto en uit de achterbak een paar king-size rubber laarzen takelt. ‘Het kon wel ‘ns wat vochtig worden en ik denk niet dat het ijs al lijdt na een paar nachtvorstjes.’ Vlot schopt hij zijn schoenen uit, doet een paar extra sokken aan, stopt daar zijn broekspijpen in en stapt geroutineerd in de kniehoge groene monsters. ‘Zullen we dan maar?’ Ik bibber in mijn te dunne jasje en voel mijn tenen al langzaam bevriezen maar slaag er naar eigen idee toch in geestdriftig te knikken: ‘Vooruit maar!’

De eerste honderd meter is peanuts; over de verharde weg in de richting van onze Peeltroef waar het wandelpad moet beginnen. De solide stalen poort, de toegang tot het weiland waarlangs de route moet gaan lopen, is voor Piet geen enkel probleem. Behendig klautert hij erover en staat in een mum van tijd aan de andere kant. Mij kost het wat meer moeite, de tijd dat ik als een jong veulen over een hek wipte ligt al geruime tijd achter me, realiseer ik me. Mijn metgezel zet er meteen flink de sokken in en ook voor mij is het nog wel te doen. De bevroren grond voelt best solide aan en voorzichtig begin ik wat meer vertrouwen in onze onderneming te krijgen. Wat verderop wordt het al wat drassiger, de ijskorst onder mijn voeten kraakt vervaarlijk en het duurt niet lang voor ik er doorheen trap. Met een zuigend geluid trek ik mijn voet uit de prut. Meevaller; mijn schoen zit wel meteen flink onder de blubber maar gelukkig nog geen natte voet. Ik besluit wat meer naar de grond te kijken en zeker mijn voeten wat gerichter neer te zetten. Piet heeft geen enkel probleem, met stevige passen denderen de zevenmijlslaarzen door het zompige grasland. Een paar reeën kiezen in de verte wijselijk het hazenpad, of reeënpad zo u wilt,  als wij hun kant op dreigen te komen. ‘Goudvink, ik hoor ‘m wel maar ik zie ‘m zo niet’, de boswachter is duidelijk met hele andere dingen bezig als ik. ‘Wat ik al dacht’ zegt hij als we eindelijk de plek bereiken waar het pad in de toekomst de wildernis in moet gaan draaien. ‘Hier kunnen we zo niet door, tenminste jij niet, die sloot staat vol water, hier komt straks die duiker, we zullen terug moeten’. De opluchting moet haast wel van mijn gezicht af te lezen zijn. Op de terugweg doemen bijna visioenen voor mij op van dampende koppen koffie en gloeiende radiatoren. Maar het pakt anders uit:  ‘we nemen even de auto en rijden naar de andere kant… vanaf daar kunnen we er wel komen.’ Ik probeer krampachtig vooral spontaan enthousiast te lijken.

Zelfs de korte rit in de ijskoude auto voelt als een verademing en de wandeling langs het Deurne’s Kanaal kost Piet geen enkele en mij gelukkig maar weinig moeite. ‘Hier moeten we d’r in’ zegt ie,op een voor mij volstrekt willekeurig punt, waar de begroeiing naast de weg minstens zo dicht is als ergens anders. ‘Kijk daar hangt het lintje nog wat ik twee jaar geleden opgehangen heb’. Hij banjert door het struikgewas en ik volg hem op de voet. De braamstruiken trekken aan mijn jas terwijl mijn kompaan terloops wijst naar een roodborst die ik met de beste wil van de wereld niet kan ontdekken. Meer vooruit vallend dan lopend probeer ik te volgen over de pollen buntgras en van kou lijden is al lang geen sprake meer. Het zweet gutst over mijn rug terwijl ik verbeten probeer niet al te ver achterop te raken. Gelukkig stopt ie af en toe om een nieuw lint om een boom te knopen zodat ik dan weer enigszins in de buurt kan komen. ‘We kunnen het best door dat veld met adelaarsvarens heen, daar is het in ieder geval behoorlijk droog.’ Ik kijk op en zie een zo ongeveer onafzienbare plak vol met roestbruine morsdode varens. Monter stormt hij de meer dan kniehoge wildernis in en ik zwoeg iets minder kwiek achter hem aan. Bij ieder stap trap ik minstens dertig centimeter diep in de dorre takken en ik verwacht ieder moment tot mijn middel weg te zullen zakken, maar dat blijkt mee te vallen. Inmiddels hijg ik wel als een paard en de dikke zweetdruppels moeten nu toch wel duidelijk zichtbaar zijn op mijn voorhoofd. Even dreigt de boswachter in de verte te verdwijnen maar gelukkig zie ik hem weer alweer doende met zijn lint en ik worstel mezelf zijn kant op. ‘Daarginds, achter die singel, daar moeten we zijn.’ De singel blijkt een flink stuk berkenbos. Weliswaar makkelijker begaanbaar maar ook een stuk natter en een kletsnatte broekspijp en dito sok en schoen blijken onvermijdelijk. Eindelijk staan we dan toch aan de andere kant van dezelfde sloot die we anderhalf uur tevoren niet over konden steken. ‘Kijk hier is het… en daar komt die duiker’.

 De details over de weg terug wil ik u besparen, maar wel wil ik even memoreren dat van een korte adempauze geen sprake was, dat ook mijn ene nog droge sok er onverbiddelijk aan heeft moeten geloven, dat ik mijn reisgenoot in geen enkel opzicht kon bijbenen en dat ik hem (volledig buiten adem) nog net voor hij weer in zijn auto stapte met een geweldige eindspurt kon achterhalen. ‘Zie je nou, het is eigenlijk echt maar een klein stukje' zegt hij nonchalant. 'Jammer dat je niet even wat meer tijd hebt, dan waren we het pad waar het op aan gaat sluiten ook nog even afgelopen’. ‘Inderdaad jammer ja’ zeg ik ‘héél jammer.’            

       


DRIEËNENTWINTIG NOVEMBER TWEEDUIZENDZESTIEN

Oorverdovend, dat was het enige wat ik vanmorgen kon bedenken toen ik in alle vroegte uit mijn auto stapte bij de Natuurpoort. Heel in de verte zag ik de eerste gloed van de zon knalrood verschijnen boven de Peel en uit die richting zwol ook het geluid aan van al die duizenden ganzen die zich in de verte langzaamaan op aan het maken waren op de vleugels te gaan.

Ik realiseerde me dat het haast niet anders kon of ze kletsten luidruchtig, net zoals mensen zouden doen bij het ontbijt, over hoe ze geslapen hadden en over wat ze vandaag dachten te gaan doen. Ongetwijfeld roddelden ze met elkaar over hun buren, zwetsten ze wat over het weer en beklaagden ze zich tegenover elkaar over de matige kwaliteit van het gras wat ze gisteren te eten gekregen hadden. En natuurlijk werd mekaar uitgebreid duidelijk gemaakt hoe ze over diegenen dachten die aanstonds het voortouw in hun vlucht zouden nemen. Ik kon ze bijna verstaan als ik goed luisterde; niet woord voor woord  maar de toon was heel erg duidelijk. Precies dezelfde teneur als wanneer je een hele groep mensen weliswaar niet letterlijk kunt verstaan maar  je wel donders goed weet waarover ze het hebben: het eten wat weer eens niet smaakt, het weer wat alweer slecht is en de baas die uiteraard geen goed kan doen.

Ik bleef even staan luisteren en nog voordat de zon zich goed en wel boven de bomen in de verte had laten zien kwamen de eerste regimenten ganzen al over me heen gevlogen. Strak in het gelid alsof ze daar jarenlang voor gedrild waren en de meesten  waren zelfs vliegend nog druk aan het kwebbelen tegen hun kompanen; blijkbaar waren ze zojuist tijdens het ontbijt  toch nog  onvoldoende  aan het woord geweest. Golf na golf vloog nu over me heen, in strakke formaties, allemaal precies dezelfde kant op. alsof ze daarover in het laatste half uur overeenstemming hadden bereikt.

Terwijl het drukke gekakel in de verte ook over de nog stille weilanden werd uitgestort realiseerde ik me pas dat het best fris was, ’s morgens vroeg, zo zonder jas, als je je verstand zolang stond te vergapen. Ik ging naar binnen; met de luidruchtige ganzen in gedachten nam ik me voor het eerste uur mijn mond maar eens dicht te houden.

     

Website door TARGET visuele communicatie